4: Licht

Deze //// is uiteraard voor de regisseur die beschikking heeft over theaterlicht.
Wanneer je er beschikking over hebt, is theaterlicht een bepalend middel bij de suggestie van de theatrale werkelijkheid. Dag, nacht, zonnig, mysterieus, kil, warm, alle soorten sfeer kun je met licht op de planken oproepen. Daarnaast is er een toegevoegde gevoelswaarde: het publiek zit klaar, het zaallicht dimt en wanneer het toneellicht aangaat en het publiek vanuit het donker mag toeschouwen waant men zich al gauw in een echt theater. Je verliest je directe omgeving en wordt naar het spel toegetrokken.
Bij het gebruik van theaterlicht praten we voor basisschoolbegrippen al over een gevorderde situatie. Veel basisscholen hebben wel wat theaterspotjes hangen, maar weten er vaak niet de mogelijkheden te benutten. Er zijn ook veel basisscholen die door het gewoon veel te doen het inhangen en uitlichten prima onder de knie hebben. Daarvoor moet men vaak wel over een drempel heen, het technische aspect van theaterbelichting schrikt veel mensen wat af.
Theaterlicht aanschaffen kan overigens een hele onderneming zijn. De hoeveelheid lampen die je nodig hebt hangt al af van de grootte van het speelvlak: het hele speelvlak moet belicht kunnen worden.
Theaterbelichting zorgt samen met het geluid voor ritme in de voorstelling en bepaalt, mits goed toegepast wat we wel en wat we niet te zien krijgen.
Standaard is dat je voldoende lampen hebt hangen om in ieder geval zonder ‘gaten’ (lichtgaten tussen lichtbundels van de spots) het hele speelvlak uit te lichten (het ‘totaaltje’) en twee of drie spots over hebt voor ‘speciaaltjes’ (het afzonderlijk uitlichten van losse objecten of personen).
De meeste basisscholen schaffen hun theaterlicht aan met behulp van de catalogi van schoolbenodigdheden. Dit zijn vaak spots van 300 watt, op zich voldoende om een klein speelvlak uit te lichten mits je er voldoende van hebt. Het nadeel van het zelf bestellen uit een catalogus is dat je een stukje expertise mist die je wel krijgt wanneer je een gespecialiseerd bedrijf aantrekt. Er zijn veel bedrijven in audio en lichttechniek die je kunnen adviseren, die het voor je installeren en waar je je spullen ook kunt aanschaffen. Zo’n bedrijf kan bijvoorbeeld een buisconstructie installeren waaraan de lampen kunnen worden bevestigd, en leggen de bedrading e.d.
Als je naar de aanschafprijzen van techniek kijkt dan vallen die in principe mee. De laatste jaren zijn veel nieuwe producten op de markt gekomen met voldoende kwaliteit en redelijke prijzen voor het basisonderwijs.
Met behulp van deze //// kun je keuzes maken bij het aanschaffen van theaterbelichting, maar je kunt ook wat je hebt opnieuw bekijken en beoordelen of je wellicht wilt uitbreiden. De basis van waaruit je begint te praten bij de aanschaf van theaterlicht zijn twee zaken: mogelijkheden voor ophanging en stroom. Voor een eenvoudige lichtset heb je een vrije stroom groep nodig (16 Ampère) en als je krachtstroom nodig hebt moet je daar vóór aanschaf rekening mee houden dat het ook beschikbaar is voor de ruimte waar je het gaat gebruiken.
Met mogelijkheden voor ophanging wordt de buisconstructie bedoeld waaraan de lampen kunnen worden bevestigd. De meeste scholen hebben één buis hangen, namelijk vóór het speelvlak. Wanneer die buis goed bevestigd is hangt hij zo dat de lampen een ideale hoek hebben van ongeveer 45 graden ten opzichte van het speelvlak. De hoogte van je plafond is dus bepalend voor waar die buis komt te hangen. Hoe meer buizen er hangen, hoe meer mogelijkheden je hebt om je lampen goed te gebruiken, je bent dan flexibeler met het plaatsen van de spots. Eigenlijk heeft elke voorstelling een andere opstelling van de spots nodig om het optimale uit de belichting te halen. Je kunt een buis halverwege de zaal plaatsen, die de goede hoek heeft ten opzichte van het speelvlak. Bij een verhoogd podium zou ophanging dus ook hoger moeten zijn. Een tweede rij spots in de zaal, vlak voor de rand van het speelvlak, kan baan 2 en 3 (//// 4.9.23) van het toneel belichten. En dan nog één buis achter of halverwege het spelvlak voor het tegenlicht, licht bedoeld om het spelvlak ruimtelijker te maken. Tegenlicht betekent het licht van hoog achter de spelers komt, het maakt het geheel minder plat en voorkomt lelijke schaduwen achter de spelers. Als je onder een systeemplafond speelt (wat tegenwoordig vaak voorkomt) zijn er klemmen te koop waaraan je je lampen kunt bevestigen, ideaal voor het creëren van tegenlicht. Als je niet om een buis meer of minder verlegen zit kan je overwegen om aan de twee zijkanten buizen te plaatsen voor het zijlicht. Vanuit de zaal gezien krijgen door het zijlicht de spelers maar ook het decor meer vorm en reliëf. Bij (professionele) ballet en dansvoorstellingen is zijlicht de belangrijkste bron van licht. Dat wordt dan nog een beetje aangevuld met frontlicht. Zijlicht is ook erg geschikt als effect en aanvulling op het decor, bijvoorbeeld zonnestralen die door een raam vallen, of maanlicht dat mooie schaduwen geeft. Zijlicht zonder frontlicht geeft weer een mysterieus effect.
Let bij het huren of aanschaffen van spots ook op het type spot. Er zijn grofweg 4 verschillende soorten te krijgen.
Fresnel spot, geeft een zachte lichtvlek die bij gebruik van meerdere spots naast elkaar mooi in elkaar overlopen. Bij de meeste Fresnelspots kan de lichtvlek groter en kleiner gemaakt worden door het verschuiven van de lamp in de behuizing.
PC (Plano Conflex) is een spot die al een meer gespotte vlek geeft, maar toch nog steeds geen harde lichtrand. De lichtopbrengst ten opzichte van een fresnelspot is hoger. Ook de PC spot kan groter en kleiner ingesteld worden
Profielspot, geeft een mooie scherpe bundel, en kan ook gebruikt worden om te projecteren dmv gobo’s. (metalen plaatjes waar een afbeelding uitgesneden is) Sommige profielspots hebben ook shutters of messen, waardoor je bijvoorbeeld een vierkante lichtvlek kan maken. Door middel van een (iris) diafragma, kan je de bundel groter en kleiner maken.
Flood armaturen, hierbij moet je denken aan het type bouwlamp. Daar kun je grote oppervlakten mee uitlichten en geven op een korte afstand al een grote lichtvlek. Je kunt er meestal niks aan instellen. De echte flood armaturen (ook wel horizonbakken genoemd) zijn geschikt om een kleurfilter voor te doen.

afb 18

Licht is een vormgevingsmiddel dat niet per definitie nodig is om theater te maken, de meeste theateractiviteiten op de basisschool worden zonder gedaan, en dat kan natuurlijk. Het is echter wel geweldig wanneer er gebruik van kan worden gemaakt.
Het werken met licht is altijd leuk en spannend, maar wel een vormgevingsmiddel waarbij wat kennis nodig is om extra effect te genereren. Neem je een aantal aandachtspunten in acht dan heb je daarentegen weer snel een grote toegevoegde waarde.

In een gymzaal werk je vaak met statieven als er geen buisconstructie hangt. Het meest voorkomende probleem daarbij is dat de lampen vaak te dichtbij hangen waardoor er lelijke schaduwen ontstaan. Voetlicht kan dan uitkomst bieden, maar dat kan alleen wanneer het publiek op veilige afstand blijft zitten, een lamp kan gevaarlijk heet worden. Zorg dat snoeren die in de looproute over de grond liggen ruimschoots worden afgetaped om struikelpartijen en omvallende lichtinstallaties te voorkomen.

Op de mengtafel kun je verschillende combinaties van lampen maken, volg daarvoor gewoon de gebruiksaanwijzing van de mengtafel om het goed en vooral veilig te doen. Dat houdt dan in dat onder iedere schuif een combinatie lampen geprogrammeerd zit die je aan en uit kunt schuiven. Hoe verder je de schuif naar boven schuift hoe feller het licht wordt. Staat de schuif helemaal open, dan staat hij op 100%. Bij het maken van een techniekscript (zie par 4.7 blz ///) kun je met procenten lichtsterktes aangeven voor degene die het licht bedient.

Over het maken van lichtstanden en plaatjes kan indeze websitegeen uitleg worden gegeven omdat dat wel heel specifieke kennis betreft. Wanneer je toneellicht tot je beschikking hebt, neem er de tijd voor en probeer mooie plaatjes te maken: maak lichtstanden, noteer die en oefen met het instellen en wisselen. De mengtafels die tegenwoordig voor basisscholen betaalbaar zijn hebben veel mogelijkheden, waaronder het voorprogrammeren van standen. Als je de gebruiksaanwijzing volgt kom je al gauw tot mooie resultaten.

Een paar praktische termen.

Uitlichten:
Uitlichten betekent dat je belangrijke decorstukken een aparte spot geeft die je los op een schuif. Denk aan de troon van een koning die je extra licht geeft wanneer hij begint te spelen. Bij musicalproducten krijgt iedere microfoonstandaard sowieso een spot om extra licht te geven wanneer een lied wordt gepresenteerd. Omdat per definitie op het voortoneel wordt gezongen is het een aanrader om het voortoneel (baan 1, par 4.9.23 blz ///) apart op een schuif te zetten zodat je kunt bijlichten als dat nodig is, of de achtergrond wat lager te zetten.
Het is gebruikelijk dat degene die het licht inhangt dat doet n.a.v. het techniekscript (zie //// 4.7), en de boel echt richt wanneer de decorstukken op hun plek worden gezet, eventueel met een bezemsteel om niet steeds een trap op en af te hoeven. Wanneer alles goed staat wordt de positie van de decorstukken op de grond afgeplakt (zie verderop).

Filteren.
Filters zijn gekleurde hittebestendige folies die voor de lamp kunnen worden geschoven. In de praktijk zie je vaak dat er te weinig lampen zijn om de filters te gebruiken waar ze voor zijn bedoeld: het creëren van een sfeer d.m.v. gekleurd licht. Iedere kleur wekt een bepaalde suggestie op, maar dan moet je wel bijvoorbeeld met overwegend warme kleuren (bijvoorbeeld voor een zonnig buitentafereel) of koude kleuren (blauwig voor de nacht bijvoorbeeld) een heel speelvlak kunnen uitlichten om het beoogde effect te kunnen bereiken. Heb je daar te weinig lampen voor en ga je willekeurig filteren kan krijg je de z.g. discostand: gekleurde lichtvlekken op het speelvlak ongeacht wat zich op de planken afspeelt. Hou het licht in dat geval ongefilterd of heel licht neutraal (lichtgeel).
Je begint met het maken van plaatjes door eerst alle filters eruit te halen die nog in de lampen zitten en dan per tafereel kijken wat je minimaal nodig hebt om het gewenste effect te behalen. Alles wat je over hebt hou je ongefilterd om wat bij te lichten als dat nodig blijkt.
Bepaalde filters kunnen je helpen om je licht wat te spreiden als het te gebundeld blijkt omdat het bijvoorbeeld te dichtbij hangt of er te weinig spotjes zijn (‘frost’ en ‘silk’ hebben die eigenschap, laat je daarover adviseren).

Statieven.
Statieven worden gebruikt in aula’s en gymzalen waar geen buisconstructie aan het plafond is bevestigd om de lampen aan te hangen. Het is een aanrader om die in huis te halen omdat het je niet alleen mobieler maakt waardoor je lampen breder inzetbaar zijn. Het geeft je ook wanneer je de eerder genoemde buisconstructie wel hebt meer vrijheid om bijvoorbeeld voor een grote presentatie ook alles op een goede manier in het licht te krijgen.

Strooilicht.
Strooilicht is licht dat onbedoeld meekomt. Licht omdat een lamp niet goed gericht staat of staat afgericht waardoor onbedoelde zaken belicht worden. Onder strooilicht valt ook licht dat door ramen naar binnen komt. Dit is zeer storend omdat buitenlicht altijd opvalt, ook al is het schemerig buiten. Probeer de uitvoeringsruimte hermetisch te verduisteren wanneer je met theaterlicht aan de slag gaat. Eventueel met bouwplastic de ramen afplakken. Eén zonnestraaltje kan een hele zaal verlichten als die niet goed is verduisterd.

Black out.
Black out (ook wel ‘donkerslag’) betekent het in één keer wegschuiven van het licht. Dit komt niet vaak voor omdat het doorgaans te abrupt aanvoelt. Aan het einde van een scène kan het bijvoorbeeld na een oneliner, of een spannende handeling die het publiek in spanning houdt. Ook kan het na een lied wanneer de spelers/zangers in een eindpose (tableau) eindigen, het is dan bedoeld om applaus te trekken (par 6.3.1 blz ///). Na de black out stand gaat het licht vaak over naar de changeerstand om de decors te wisselen.

Changementstand.
Lichtstand waarin de spelers bij voldoende maar minimaal licht de decors kunnen wisselen.

Fade out.
Het langzaam wegschuiven van het licht. Gebeurt vaak halverwege de laatste afgang in een scène als er verder geen teksten meer worden gespeeld.

Cross over.
Wanneer je twee standen op je mengtafel hebt ingesteld kun je die wisselen door de twee master schuiven (de twee verzamelschuiven) gelijkmatig in tegengestelde richting te bewegen. Je krijgt dan een gelijkmatige wisseling, het kruisen van lichtstanden.
Veel gebruikt om voor een lied van een decorstand naar een lichtstand op een microfoon te gaan. Op de meeste mengtafels kun je de cross-overs op snelheid programmeren en hoef je alleen op de enterknop te drukken.

Voetlicht.
Licht dat voor op het voortoneel staat, met bijvoorbeeld een voetstatief (ook zelf te maken), één spot is vaak al voldoende om de meest hinderlijke schaduwen onder de kin weg te halen. Doe je de rest van het licht laag dan kun je een spookachtige sfeer creëren.

Frontlicht.
Het licht van voren. Zorg dat het frontlicht genoeg spreiding en lichtopbrengst heeft om de hele breedte van het speelvlak te bestrijken.Omdat het frontlicht het verste van het speelvlak hangt, zouden dit ook de spots moeten zijn met het grootste vermogen.(bijvoorbeeld 500W spots als frontlicht en 300W spots als tegenlicht)
Uiteindelijk is het zijlicht en tegenlicht meer bepalend dan het frontlicht dat vaak met een paar spotjes al realiseerbaar is, maar niets is frustrerender dan te donkere gezichten. Dus bij een beperkt aantal spots zorg dan dat het frontlicht in ieder geval goed is.

Volgspot.
Een volgspot is een beweegbare spot die op een statief bevestigd is en een speler over het spelvlak volgt. Veel gebruikt in musicals en het circus.

Afplakken.
Om ervoor te zorgen dat spelers en decorstukken op de juiste plek in het licht staan is het aan te raden om posities op de grond met tape af te plakken. Je zet bijvoorbeeld een kruisje waar de spelers tijdens het zingen moeten staan om in het licht te blijven, streepjes waar een bank moet staan om goed te worden uitgelicht enzovoorts. Er is een speciaal multifunctioneel theatertape beschikbaar (hittebestendig en met de hand te scheuren), het z.g. ‘gaffer tape’ dat zich ook hiervoor goed leent omdat het na afloop ook makkelijk weer te verwijderen is. Dit tape is verkrijgbaar bij elektronicawinkels en winkels voor foto en videoapparatuur.

Topspot.
Een spot die vanaf het plafond rechtstandig naar beneden gericht is waardoor een ‘eilandje’ van licht ontstaat. Prettig bij bijvoorbeeld een solo in een musical.

Camera.
Cameraregistratie en theaterlicht gaan niet erg goed samen. Daar waar vaak extra effect ontstaat door contrasten met licht en donker, heeft een camera hoofdzakelijk licht nodig om mooi beeld te krijgen. Het kan de moeite waard zijn om dit te testen en belangen tegen elkaar af te wegen.

Huren?
Wanneer je geen lampen tot je beschikking hebt maar wel graag je eindmusical of jubileumvoorstelling mooi op de planken wil hebben is het ook nog een optie om te huren. Er zijn veel bedrijven voor lichtverhuur en het gaat vaak tegen een redelijke prijs. Het is ook een optie om eenmalig eens wat bij te huren, aanvullend op wat je al hebt hangen. Het kan net dat beetje extra theatergevoel geven.

Wat te doen met 12 lampen?
Veel basisscholen hebben gemiddeld zo’n 12 lampen, voor belichtingsbegrippen niet bijster veel, maar je zou er toch iets moois mee moeten kunnen doen. Veel hangt natuurlijk af van de eerder genoemde mogelijkheden om ze op te hangen.
De 12 lampen-vraag stel ik aan Joeri Vermeulen, projectleider bij ‘Flashlight’ uit Utrecht, één van de grootste belichtingsbedrijven van Europa. Flashlight belicht veel van alle grote evenementen en t.v. uitzendingen in Nederland en is voorloper als het om innovatie gaat in belichtingstechniek.

Voor een ‘totaaltje’, een speelvlak dat geheel gelijkmatig is uitgelicht, kun je drie rijen van vier lampen richten. Op baan 1, 2 en 3 (zie par 4.9.23 blz ///).
Wanneer je spelvlak makkelijk met minder lampen kan worden uitgelicht is het altijd goed om één of meer lampen aan een effect op te offeren. Bijvoorbeeld het eerder genoemde voetlicht of de topspot.

Laten we kijken naar een standaard lichtstand van 12 lampen, wat zou een professionele lichtman doen als hij voldoende mogelijkheden zou hebben om de lampen op te hangen?

afb 19 PDF

Lichtplan 1
Voordeel: grote stappen snel thuis, is altijd goed en makkelijk te gebruiken. Spelers staan goed in het licht, ook degene die wat op de achtergrond staan. Het tegenlicht kan evt. in twee kleuren worden uitgevoerd. Een dag en nacht stand bijvoorbeeld.
Nadeel: er zijn geen spotjes meer over voor een ‘speciaaltje’ of effect.

afb 20 PDF

Lichtplan 2
Voordeel: nog steeds grote stappen snel thuis, maar door 1 spot in het midden uit de zaal te reserveren voor een (klein) middenplekje kun je een solo mooi klein uitlichten. Nadeel: het ‘tweede plan’ moet het met een spot minder doen, waardoor de overige 3 spots iets groter gesteld moeten worden, daardoor hebben ze wat minder lichtopbrengst.

afb 21 PDF

Lichtplan 3
Voordeel: een meer gedurfd lichtplan, maar wel de meest interessante. Door het voorlicht duidelijk uit twee verschillende hoeken te laten komen, en met ook twee verschillende kleuren, krijg je een mooi lichtspel op de spelers. Het tweede plan wordt ook met de spots uit de zaal belicht. Het tegenlicht komt ook uit één richting waardoor je echt een keuze maakt waar het licht vandaan komt (bv een raam, of de zon) Het zijlicht geeft uit de tegenovergestelde richting nog een extra dimensie.
Nadeel: het ‘tweede plan’ zal minder uitgelicht zijn dan bij de andere twee versies, daar moet je rekening mee houden, met het opstellen van de spelers. Je hebt ook een ophang mogelijkheid van zijlicht nodig, of evt. een statief. Verder komt het bij dit lichtplan wel iets preciezer hoe je de spots stelt.